|  Accountancy  |  IBR  |  IAB  |
Francais contact
aanmelden sitemap
home

Norm permanente vorming
aanmelden

 

Norm van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren voor permanente vorming

Woord vooraf

Gezien de inwerkingtreding op 31 augustus 2007 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor gecoördineerd door het koninklijk besluit van 30 april 2007 , en meer bepaald de artikelen 3, 14, §4, 22 en 30, evenals de artikelen 31, 33, § 1 tot 3en 37 tot 40.

Gezien de inwerkingtreding op 31 augustus 2007 van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, en meer bepaald het artikel 22. Gezien het koninklijk besluit van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren, en meer bepaald het artikel 2.

Gezien de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, in het bijzonder het artikel 54, § 1, vierde lid.

Gezien de artikelen 13 en 32, vierde lid, c van de richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van richtlijn 84/253/EEG van de Raad.

Gezien de International Education Standards opgesteld door de International Federation of Accountants, in het bijzonder IES-7 goedgekeurd in april 2004, die in werking is getreden op 1 januari 2006.

Gezien paragraaf 16, derde lid van de Code of Ethics van de International Federation of Accountants.

Gezien het advies van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen van 29 juni 2007 heeft de Raad op zijn zitting van 30 augustus 2007 de hiernavolgende norm met betrekking tot de permanente vorming aangenomen.
Deze norm treedt in werking op 1 januari 2008 en vervangt de vorige norm van 5 juli 1991.

I. PRINCIPES

ARTIKEL 1

§ 1. Elke revisor moet gemiddeld per jaar tenminste 40 effectieve uren aan activiteiten besteden die bijdragen tot zijn blijvende professionele ontwikkeling door het aanscherpen van zijn beroepskennis. Dit gemiddelde moet worden gehaald op basis van een tijdshorizon van drie kalenderjaren, met een absoluut minimum van 20 uren per kalenderjaar.

§ 2. Elke bedrijfsrevisor organiseert vrij en onder eigen verantwoordelijkheid zijn jaarlijks programma van permanente vorming. Hij zal rekening moeten houden met de voorwaarden vermeld in titel II van onderhavige norm. Het programma omvat de activiteiten die rechtstreeks bijdragen tot het aanscherpen van de kennis in de vakgebieden die tot de beroepssfeer behoren. Elke bedrijfsrevisor moet op ieder ogenblik de naleving van de criteria welke in § 1 worden opgesomd kunnen aantonen, zowel tijdens een kwaliteitscontrole als tijdens een toevallige controle.

ARTIKEL 2

De Raad wijzigt de benaming van de “Commissie opleiding en vervolmaking” in “Commissie vorming”. Eerstgenoemde commissie werd opgericht overeenkomstig het artikel 25 van het koninklijk besluit van 20 april 1989 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van het Instituut der Bedrijfsrevisoren en dat door het artikel 22 van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren werd vervangen. De Commissie vorming is samengesteld uit een meerderheid van bedrijfsrevisoren.

De Commissie vorming heeft tot taak:

  • alle nuttige aanbevelingen te doen met het oog op de permanente vorming van de leden van het Instituut;
  • de besluiten van de Raad uit te voeren die beogen de in onderhavige norm vooropgestelde doelstellingen te bereiken.

II. CONTINUE PROFESSIONELE ONTWIKKELING

ARTIKEL 3

De bedrijfsrevisor dient over een aangepaste professionele documentatie te beschikken.

ARTIKEL 4

De bedrijfsrevisor tracht zich te vervolmaken in die vakgebieden die de door hem uitgevoerde opdrachten rechtstreeks aanbelangen, waar blijk moet worden gegeven van vakbekwaamheid, bijvoorbeeld in de volgende vakgebieden:

  1. De controle (met inbegrip van de ISA’s)
  2. De plichtenleer
  3. De boekhouding, met inbegrip van de consolidatie.

Met datzelfde doel voor ogen dient de bedrijfsrevisor tevens blijk te kunnen geven van een adequate kennis, ondermeer in de volgende vakgebieden:

  1. Het recht – De fiscaliteit
  2. De informatica
  3. Het management en het communiceren
  4. De bedrijfseconomie
  5. De sociale vaardigheden.

Gespreid over een meerjarige in artikel 1 bedoelde periode, moet een evenwicht worden nagestreefd tussen de verschillende bovenvermelde vakgebieden van de opleiding. Er moet over worden gewaakt dat de vorming niet te zeer beperkt blijft tot één kennisgebied.

ARTIKEL 5

§ 1. Volgende activiteiten bedoeld in artikel 1, § 1, onder de in artikel 4 bedoelde vakgebieden, dragen bij tot de permanente vorming van de bedrijfsrevisor, onder voorbehoud van hun relevantie:

  1. seminaries en studiedagen georganiseerd door het Instituut;
  2. seminaries en studiedagen georganiseerd door het revisorenkantoor ten behoeve van zijn bedrijfsrevisoren, na voorafgaandelijke goedkeuring van het programma door de Raad, desgevallend bij volmacht;
  3. seminaries en studiedagen georganiseerd door universiteiten, instellingen van hoger onderwijs, verenigingen of opleidingsdeskundigen;
  4. voorbereiding van lessen, voordrachten en technische publicaties;
  5. medewerking aan congressen en technische commissies;
  6. individuele vorming door persoonlijke studie en lectuur en opleidingen op afstand.

§ 2. Elke bedrijfsrevisor zal voor zichzelf, met het oog op de controle van zijn permanente vorming die ten laatste in het kader van de kwaliteitscontrole wordt uitgevoerd, elk document bewaren dat erop gericht is, in het licht van onderhavige norm, de relevantie van de onderwerpen, evenals het aantal gevolgde uren opleiding te evalueren.

§ 3. In het jaarlijks programma van permanente vorming is het aan te bevelen voorrang te geven aan activiteiten van permanente vorming die buiten het revisorenkantoor worden georganiseerd. Bij het opstellen van zijn programma inzake permanente vorming zal de bedrijfsrevisor op driejaarlijkse basis zoals vermeld in artikel 1, trachten het volgende evenwicht in acht te nemen:

  1. seminaries en studiedagen vermeld onder de punten 1, 2, 3 van § 1, vertegenwoordigen minimum 70 % van het minimum vereiste aantal uren zoals voorzien in artikel 1, hetzij minstens 84 uren op driejaarlijkse basis;
  2. een minimum van acht uren per jaar (hetzij twee halve dagen) moet worden gekozen uit het door het Instituut aangeboden vormingspakket.

III. CONTROLEMAATREGELEN

ARTIKEL 6

De door onderhavige norm beoogde personen moeten, overeenkomstig artikel 4, § 2 van onderhavige norm, de historiek van hun activiteiten op het vlak van permanente vorming bewaren op zijn minst tot aan de kwaliteitscontrole voorzien voor elke bedrijfsrevisor. Deze personen moeten deze historiek jaarlijks naar het Instituut toezenden. Tijdens deze controle worden de activiteiten van de bedrijfsrevisor op het vlak van permanente vorming aan een evaluatie onderworpen. Indien deze controle op het niveau van het revisorenkantoor wordt uitgevoerd en indien de bedrijfsrevisor die tot dit revisorenkantoor behoort niet het voorwerp van een onderscheiden controle is geweest, kan hij opnieuw gecontroleerd worden, overeenkomstig het artikel 7.

Op vraag van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, zal de Raad, desgevallend bij volmacht, het overzicht van de activiteiten van de permanente vorming van de bedrijfsrevisoren meedelen.

ARTIKEL 7

De Raad zal, desgevallend via afvaardiging en/of ter gelegenheid van de kwaliteitscontrole, zich ervan vergewissen dat elke bedrijfsrevisor, gedurende de in artikel 1, paragraaf 1 bedoelde periodes, die eindigen op 31 december van het afgelopen kalenderjaar, het jaarlijks minimum aantal uren vorming, zoals bepaald in artikelen 1 en 5 van onderhavige norm, zal hebben gevolgd.

In overeenstemming met de geldende reglementering, maakt de Raad, in voorkomend geval bij volmacht, periodiek verslag over aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling van de controlewerkzaamheden uitgevoerd op grond van dit artikel.

IV. SANCTIES

ARTIKEL 8

Voor zover de Raad, desgevallend via afvaardiging en/of ter gelegenheid van de kwaliteitscontrole, de activiteiten op het vlak van de permanente vorming, op basis van onderhavige norm, als onvoldoende en de historiek als onbestaand of onvoldoende gedocumenteerd beschouwt, zal hij de nodige maatregelen treffen, zoals een tot de orde roepen of een voorlopige ordemaatregel overeenkomstig de artikelen 37 en 38 tot 40 van de wet van 22 juli 1953, desgevallend met inbegrip van een voorstel tot verwijzing naar tucht.

V. INWERKINGTREDING, OPHEFFING EN OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL 9

§ 1. Onderhavige norm treedt in werking op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de goedkeuring daarvan door de Raad van het Instituut der Bedrijfsrevisoren en vervangt de norm van 5 juli 1991 die wordt opgeheven, uitgezonderd voor de in paragraaf 3 beoogde situaties.

§ 2. De berekening van de drempels en de controle van de vakgebieden bedoeld in de artikelen 1, 4 en 5 van onderhavige norm gebeuren voor het eerst vanaf 1 januari van het kalenderjaar volgend op de goedkeuring van onderhavige norm door de Raad.

§ 3. Indien de bepalingen van onderhavige norm strenger zijn dan de bepalingen van de norm van 5 juli 1991, zullen de berekening van de drempels en de controle van de vakgebieden bedoeld in de artikelen 1, 4 en 5 van onderhavige norm gebeuren op basis van de bepalingen van de vroegere norm met betrekking tot de permanente vorming gevolgd vóór de inwerkingtreding van onderhavige norm.

pdf    Download dit document


Archief
topcontactsitemap