7 mei 2026
In zijn openingsspeech voor de academische zitting zette IBR-voorzitter Eric VAN HOOF meteen de toon: wie het over economie, investeringen en groei heeft, komt volgens hem altijd uit bij één sleutelwoord: vertrouwen. Dat vertrouwen moet steunen op correcte cijfers, betrouwbare informatie en een correcte opvolging van risico’s, en precies daar ligt de kernopdracht van de bedrijfsrevisor.
Die opdracht wordt volgens de IBR‑voorzitter alleen maar urgenter in een wereld waarin oorlogen en internationale spanningen onzekerheid aanjagen en markten sneller kunnen kantelen. Audit wordt dan een ‘baken’, niet omdat het risico’s wegneemt, maar omdat het consistentie, vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid toevoegt op momenten waarop gebruikers zich afvragen of informatie wel klopt en volledig is. Hij benadrukte daarbij dat vertrouwen anno 2026 verder reikt dan de jaarrekening: niet‑financiële data, technologiegedreven processen en toekomstgerichte verklaringen wegen steeds zwaarder door in waarderingen en risicobeoordelingen.

Ook het regelgevend kader moet mee evolueren, maar "veranderen om te veranderen volstaat niet", stelde Eric Van Hoof. Hij pleitte voor betere, uitvoerbare en proportionele regels, met stakeholderdialoog, degelijke impactanalyse en realistische implementatie, rekening houdend met verschillen tussen grote ondernemingen en kmo’s, en tussen internationale netwerken en middelgrote kantoren.
Technologie en AI zag hij niet als bedreiging maar als hefboom, op voorwaarde dat het gebruik aantoonbaar bijdraagt aan kwaliteit én transparant wordt uitgelegd. Tegelijk onderstreepte hij dat audit een mensenberoep blijft: professionele oordeelsvorming, integriteit en onafhankelijkheid zijn niet te automatiseren. De sector moet daarom actiever het echte verhaal van het beroep vertellen om talent aan te trekken. Zijn slotboodschap was een oproep om te leiden in plaats van te volgen: samen met regelgevers en toezichthouders, met samenwerking als voorwaarde om vertrouwen te winnen én te behouden.
De eerste Keynote, uitgesproken door mevrouw Nathalie JOUANT (adviseur van minister van Economie David Clarinval), startte met een constructieve en bemoedigende toon: de overheid ziet de bedrijfsrevisor expliciet als een vertrouwensberoep dat mee de competitiviteit van de Belgische economie mogelijk maakt.
De kernboodschap aan het IBR was tegelijk duidelijk en positief: de modernisering van het beroep moet de kwaliteit en het vertrouwen versterken, zonder onnodige bijkomende lasten (dus geen “gold-plating”). In het algemeen wenst België de Europese regels getrouw om te zetten, zonder ze te verzwaren. Daarbij werd benadrukt dat deze modernisering niet “over de hoofden heen” van het beroep kan gebeuren: overleg met het IBR blijft essentieel, juist omdat de bedrijfsrevisoren het best vertrouwd zijn met de concrete impact van de regelgeving.
De minister van Economie heeft het IBR dan ook uitgenodigd om zelf voorstellen te formuleren voor de herziening van de wet van 7 december 2016. De hervormingsagenda ligt wijd open: van een preciezere omschrijving van de revisorale opdracht en het wegwerken van “gold-plating” (zoals bijvoorbeeld de vereiste van een masterdiploma om aan de stage te beginnen), tot een soepeler regime van onverenigbaarheden, een positiever statuut voor de huidige “verhinderde bedrijfsrevisor”, een “titel voor het leven” en een vlotter normalisatieproces. Dit alles in goed overleg met de Hoge Raad voor de Economische Beroepen (HREB) en het College van Toezicht.

Wat duurzaamheidsrapportering betreft, kondigde Nathalie Jouant ook de publicatie aan van de beroepsnorm voor assurance inzake duurzaamheid (CSRD), evenals die met betrekking tot het Europees formaat voor digitale rapportering (ESEF).
Tot slot benadrukte zij twee belangrijke aspecten van het maatschappelijke mandaat van het beroep waarop de minister rekent: een rem tegen fraude en witwaspraktijken, en een partner in de creatie van duurzame waarde en een competitieve economie.
De tweede Keynote van de dag werd verzorgd door de heer Jean-Paul SERVAIS, voorzitter van de FSMA en IOSCO. Hij sprak er zijn grote waardering uit voor het beroep en plaatste het in een lange Belgische traditie, waarin vertrouwen in betrouwbare cijfers centraal staat.
Zijn kernboodschap aan het IBR en de leden: bedrijfsrevisoren zijn discreet, maar economisch essentieel. Zij staan mee garant voor vertrouwen in een groot deel van de economie en in duizenden organisaties.
Hij benadrukte dat de bedrijfsrevisor geen kostenplaatje is, maar een bron van toegevoegde waarde: zonder betrouwbare rekeningen geen goede beslissingen, investeringen of stabiele sociale dialoog.
Tegelijk staat het beroep onder demografische en structurele druk (aantrekkelijkheid, regeldruk, aansprakelijkheid, complexiteit), terwijl de vraag naar revisorale expertise net toeneemt.
Kwaliteit is volgens Servais geëvolueerd van een loutere nalevingsplicht naar een geïntegreerd systeem in de kantoren (risicobeheer, governance, HR en cultuur), met versterkt en meer gestructureerd extern toezicht.
De CSRD en de assurance op duurzaamheidsinformatie noemt hij een kantelpunt: auditors worden hoeders van de betrouwbaarheid van ESG‑data, wat nieuwe competenties vergt en tegelijk een proportionele aanpak vraagt.

Hij ziet het maatschappelijke operationele veld verbreden: betrokkenheid bij ondernemingsraden, publieke en non‑profitsector, continuïteitsvraagstukken en governance. Auditors moeten “uitleggen, verhelderen en assurance geven”, niet achteraf facturen natellen.
Internationaal signaleerde hij twee grote uitdagingen: (1) private‑equity‑investeringen in auditkantoren en de mogelijke impact op onafhankelijkheid, cultuur en auditkwaliteit; (2) de snelle opmars van AI.
Over AI deelde hij de mening van IBR-voorzitter Eric Van Hoof: technologie mag het professionele oordeel, de kritische ingesteldheid en de menselijke verantwoordelijkheid nooit vervangen.
Zijn slot: het beroep zit in volle transformatie en net in tijden van onzekerheid en desinformatie blijft de bedrijfsrevisor een anker van betrouwbaarheid en nauwgezetheid.
Na deze Keynotes volgde een panelgesprek met als thema ‘Hoe ziet Europa de uitdagingen voor het auditberoep?’. Het panel was samengesteld uit Hilde BLOMME (Deputy Chief Executive Accountancy Europe), Salvador MARIN (voorzitter EFAA), Petr WAGNER (Deputy Head of Unit, Corporate Reporting, Audit and Credit Rating Agencies, DG FISMA, European Commission) en Inge SAEYS (bedrijfsrevisor RSM en ondervoorzitter van het IBR) en werd gemodereerd door Andrew HOBBS (EY Partner, Global Public Policy & EMEIA Leader).
Tijdens dit panel stond één rode draad centraal: de auditsector verandert snel, maar die transformatie biedt ook kansen als kwaliteit, onafhankelijkheid en vertrouwen overeind blijven.
Europa kijkt eerst naar het toezicht. Petr Wagner lichtte toe dat de Europese Commissie een herziening van het toezicht verkent met als doel meer convergentie en harmonisatie binnen de EU: vergelijkbare dossiers moeten in verschillende lidstaten op een gelijkaardige manier worden behandeld. Het gaat daarbij nadrukkelijk om “evolutie, geen revolutie”: geen nieuwe mega‑autoriteit in Brussel, wel betere benutting van schaarse middelen en mogelijk een versterkte architectuur rond de bestaande samenwerking van nationale toezichthouders (Committee of European Auditing Oversight Bodies - CEAOB), met consultatievragen over o.a. methodologieën, transparantie en eventuele publicatie van inspectierapporten.
Accountancy Europe zet ‘Visie 2030’ breder neer dan techniek. Hilde Blomme schetste een strategie in opbouw die vertrekt van de vraag welke rol accountants en auditors kunnen spelen in een Europa dat tegelijk inzet op competitiviteit, investeringen en financiering. In die logica moeten beroepsorganisaties niet alleen reageren op regelgeving, maar ook proactiever het publieke debat en beleid mee vormgeven omdat vertrouwen en betrouwbare informatie noodzakelijke randvoorwaarden zijn om groei en investeringen mogelijk te maken.

Inzake Private equity spraken de panelleden zich voorzichtig positief uit mits stevige waarborgen. Zowel Hilde Blomme als Salvador Marín benadrukten dat externe investeringen voor (middel)grote en kleinere kantoren vooral voortkomen uit de nood aan kapitaal voor digitalisering en AI. Tegelijk waarschuwde Marín voor mogelijke neveneffecten: marktconcentratie, korte investeringshorizonnen en risico’s voor professionele controle, onafhankelijkheid en auditkwaliteit. Zijn pleidooi: niet ideologisch ‘voor of tegen’, maar werken met safeguards, transparantie en vooral meer empirisch bewijs over de langetermijneffecten.
AI werd dan weer neergezet als productiviteitshefboom én risicodomein. Marín legde de klemtoon op pragmatische toepassingen voor SMP’s (risicoanalyse, anomaliedetectie, documentatie) en op klassieke auditprincipes die ook bij AI gelden: vertrouwelijkheid, databeveiliging, kwaliteitsbewaking, explainability, training en governance (geen ‘schaduw‑tools’). Inge Saeys vertaalde dat naar de praktijk: AI verhoogt de efficiëntie en draagt bij tot een hogere auditkwaliteit omdat het ondersteuning biedt in auditdossiers bij data- en documentanalyses, het opstellen van memo’s, het verbeteren van gestructureerde documentatie meertaligheid, én het detecteren van inconsistenties tussen planning, risico’s, uit te voeren werkzaamheden en conclusies. Daardoor worden dossiers duidelijker en beter reviewbaar. Maar beiden benadrukten dat professionele oordeelsvorming en scepticisme niet te automatiseren zijn: de auditor blijft steeds zelf verantwoordelijk.
Binnen de Belgische context, een bij uitstek KMO-land, werd gepleit voor proportionaliteit en werkbaarheid. Inge Saeys koppelde technologische investeringen aan zichtbare marktbewegingen: internationale herstructureringen, grotere transnationale samenwerkingen en PE‑instroom bij mid‑tier en kleinere kantoren als versneller omplatformen, governance en kwaliteit te versterken, met die kanttekening dat regels proportioneel en uitvoerbaar moeten blijven en met harde waarborgen voor de ethische principes.
Het panel sloot af met een optimistische noot over een “mooi beroep dat gerespecteerd blijft, juist omdat ze vertrouwen levert in een tijdperk van snelle verandering”.
In haar slottoespraak benadrukte secretaris-generaal Inge VANBEVEREN nogmaals het woord dat de dag samenvatte: vertrouwen. Dat vertrouwen, stelde ze, is schaars en moet elke dag opnieuw verdiend worden met kwaliteit, integriteit en professionalisme — de kern van het beroep.
Tegelijk versnelt de wereld: verwachtingen schuiven, regels worden complexer en technologie (digitalisering en AI) verandert de praktijk, terwijl de maatschappij luider vraagt of informatie nog betrouwbaar is.
De conclusie: niemand twijfelt aan de essentie van het beroep, maar de sector moet zich blijvend heruitvinden om vertrouwen te blijven waarmaken in een nieuwe context.

Die context vertaalde het IBR recent in haar strategisch plan ‘Ambities 2030’, een vijfjarenkompas dat verder reikt dan één mandaat en inzet op een sterk, toekomstgericht auditberoep met impact, gestoeld op ethiek en integriteit.
Eerste prioriteit: maatschappelijke en economische relevantie zichtbaar maken, met een helder narratief over de rol van de bedrijfsrevisor in ondernemingen, verenigingen en bij werknemers.
Daarbij hoort ook een werkbaar, modern wettelijk kader: modernisering van de wet van 2016, minder gold-plating, meer administratieve vereenvoudiging en proportionaliteit zonder kwaliteitsverlies.
Tweede pijler: meer concrete waarde voor leden via praktijkgerichte vorming, podcasts, een online bibliotheek en toegankelijke modellen, roadmaps en guidance.
Digitalisering krijgt een centrale plaats, met plannen voor een moderner portaal, automatisering van de cartografie en betere zoek- en webstructuren voor IBR/ICCI.
Derde pijler: aantrekkelijkheid en instroom versterken, met blijvende focus op studenten en jonge academici via campagnes, events zoals de Revisor Cup en nauwere samenwerking met het onderwijs.
Ook het stagetraject moet moderner, met hogere slaagkansen én behoud van kwaliteitsvereisten, en met aandacht voor begeleiding en intergenerationele kennisoverdracht.
Voor 2030 schetste ze een beroep dat verbreedt: audit gaat niet alleen over cijfers, maar ook over duurzaamheid, cyberweerbaarheid, datakwaliteit en AI-governance — met de vraag “is dit verantwoord en uitlegbaar?” centraal.
Vierde pijler: het IBR zelf als ‘winning organisation’, met meer interne expertise, wendbaarheid, co-creatie, innovatie, digitale transformatie én financiële duurzaamheid.
Haar oproep was dubbel: het IBR moet ondersteunen en een duidelijke stem in het debat voeren, maar alle stakeholders moeten mee stappen zetten, talent begeleiden en het ‘waarom’ van het beroep actief uitdragen.
Tijdens de academische sessie van de algemene vergadering stonden de impact en de aantrekkelijkheid van het beroep centraal. Die reflectie krijgt een vervolg tijdens de Dag van het Revisoraat 2026. Afspraak op 21 september.