17 april 2012

De Raad van het Instituut is van oordeel dat het begrip "dochterondernemingen van te verwaarlozen betekenis" in het gewijzigde artikel 110 van het Wetboek van vennootschappen, naar analogie met de de minimis-regel in de belangenconflictenregeling van artikel 524, § 1 van het Wetboek van vennootschappen kan worden geïnterpreteerd als dochterondernemingen die respectievelijk afzonderlijk of gezamenlijk minder dan één procent van het netto-actief van de moedervennootschap vertegenwoordigen.

In bijkomende orde zou/zouden de betrokken dochteronderneming of dochterondernemingen door hun risico's en verbintenissen buiten balans op de moedervennootschap geen risico mogen laten wegen dat hoger is dan één procent van het netto-actief van de moedervennootschap.