30 april 2026

Laurent Donnay de Casteau, advocaat gespecialiseerd in fiscaal recht, Balie van Brussel (Advisius)

 

De wet van 6 april 2026, waarbij een belasting op meerwaarden op financiële activa wordt ingevoerd, werd op 21 april 2026 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Zij voorziet in vier methoden voor de bepaling van de historische waarde van niet‑genoteerde financiële activa op 31 december 2025 (art. 102, §4, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992).

In deze bijdrage bespreken wij verschillende praktische vragen met betrekking tot deze vier methoden, zoals die aan bod zijn gekomen in de loop van de voorbereidende werkzaamheden van deze nieuwe wet.

De eerste methode bestaat erin deze waarde vast te stellen op basis van de waarde die werd gehanteerd bij overdrachten tussen volledig onafhankelijke partijen, bij de oprichting van de vennootschap of bij de laatste kapitaalverhoging die plaatsvonden tussen 1 januari 2025 en 31 december 2025. De wet is duidelijk: een transactie in 2026, zelfs als deze wordt gewaardeerd op basis van de waarde op 31/12/2025, kan niet als referentie dienen voor deze eerste methode. De minister van Financiën heeft dit uitdrukkelijk bevestigd in tweede lezing van wat toen nog een wetsontwerp was (DOC 56 1244/007, p. 16). In geval van meerdere kapitaalverhogingen in 2025 werd het wetsontwerp gewijzigd om duidelijk te vermelden dat het gaat om de laatste kapitaalverhoging die in 2025 heeft plaatsgevonden. Ook hier kan een kapitaalverhoging die vóór of na het jaar 2025 heeft plaatsgevonden niet als referentie dienen.

De tweede methode verwijst naar de “waarde die het resultaat is van de toepassing van een waarderingsformule vastgesteld in een contractueel aanbod van verkoopoptie met betrekking tot deze financiële activa dat inwerking is op 1 januari 2026”. Ter illustratie van de beoogde situatie verwijzen de voorbereidende werkzaamheden naar (programma’s voor de inkoop in het kader van) aandelenoptieplannen die voorzien in een waarderingsformule. In het algemeen wordt elk contract of elke offerte die op 1 januari 2026 van kracht is, beoogd. Kan een ‘non-binding offer letter’ worden gebruikt? De minister van Financiën heeft geantwoord dat een dergelijke brief moet worden geanalyseerd om te bepalen of zij kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst of als een contractueel aanbod; het betreft echter een feitelijke beoordeling die moet gebeuren in het licht van de bewoordingen van de betrokken brief (DOC 56 1244/007, p.16).

De derde methode, die beperkt is tot aandelen en daarmee gelijkgestelde financiële instrumenten, is de EBITDAmethode (meer bepaald het eigen vermogen vermeerderd met EBITDA x4). Er moet worden uitgegaan van het laatste boekjaar dat is afgesloten vóór 1 januari 2026. Voor vennootschappen die niet per kalenderjaar afsluiten, ligt die datum noodzakelijkerwijs eerder. In geval van een afsluiting op bijvoorbeeld 30 juni, gaat het om de jaarrekening afgesloten op 30 juni 2025. Met latere resultaten kan geen rekening worden gehouden. De minister van Financiën benadrukte dat “het altijd mogelijk is een waardering te laten opstellen door een revisor of accountant, die eventueel rekening kan houden met de resultaten die tussen 1 juli 2025 en 31 december 2025 zijn gerealiseerd. De minister voegt er echter aan toe dat, indien tijdens die periode verliezen zijn geleden, de EBITDA-formule daar geen rekening mee zal houden voor niet-beursgenoteerde ondernemingen.” (DOC 56 1244/007, p.16).

De minister van Financiën heeft ook bevestigd dat buitenlandse boekhoudnormen mogen worden gebruikt bij de berekening van de EBITDA (DOC 56 1244/007, p.16).

Deze EBITDA‑formule is uitsluitend bedoeld voor de historische waardering op 31 december 2025 en is juridisch enkel in dit specifieke kader toepasbaar. Zij kan niet geacht worden onbetwistbaar van toepassing te zijn op andere waarderingen, noch in de personenbelasting, en a fortiori niet in de vennootschapsbelasting, noch inzake schenkingsrechten of successierechten (zie in deze zin DOC 56 1244/007, p.15).

De EBITDA‑formule kan leiden tot een resultaat dat economisch zinledig is, met name op het niveau van een holdingvennootschap, aangezien geen rekening wordt gehouden met de financiële elementen van de onderliggende vennootschappen. Over dit punt ondervraagd (DOC 56 1244/007, p. 160) heeft de minister van Financiën dit aspect niet behandeld in zijn antwoorden.

De vierde methode, namelijk het verslag van de cijferberoeper, laat toe om de EBITDA‑methode te vervangen, of om een financieel actief te waarderen waarvoor de voormelde methoden niet van toepassing zijn. Hoewel deze methode uitvoerig werd besproken, richten wij ons hier specifiek op de verduidelijkingen die in de loop van de parlementaire werkzaamheden van deze wet werden aangebracht.

Wanneer verschillende aandeelhouders waarderingen laten uitvoeren door verschillende experten, erkent de minister van Financiën dat het perfect mogelijk is dat de waarderingen niet samenvallen. De minister verduidelijkt dat “de fiscus geen keuze zal maken tussen verschillende waarderingsverslagen” (DOC 56 1244/007, p.14).

Wat de verplichting betreft om een waardering te bewaren en mee te delen aan de fiscale administratie, verduidelijkt de minister van Financiën dat “de wet daarover geen specifieke bepaling bevat en dat de gebruikelijke bewaartermijnen, evenals de regels met betrekking tot verzoeken om inlichtingen aan derden, van toepassing zijn”.

De minister geeft aan dat “het aansprakelijkheidsrisico van een revisor of accountant een uiterst technische en nietfiscale vraag betreft, die afhankelijk is van feiten en omstandigheden en die hij bijgevolg niet kan beantwoorden” (DOC 56 1244/007, p.15). Er zij aan herinnerd dat het opstellen van een waardering uitsluitend door een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant werd gemotiveerd door het feit dat het gaat om bij wet gereglementeerde beroepen, met een wettelijk tuchtrecht (DOC 56 1244/004, p185-186).

Tot slot vermeldt de minister van Financiën dat “alleen in heel uitzonderlijke situaties de waardering van een revisor of gecertificeerd accountant in vraag zou kunnen worden gesteld door de fiscus” zonder bijkomende verduidelijking omtrent de ‘heel uitzonderlijke situaties’ (DOC 56 1244/007, p.38). De memorie van toelichting denkt aan een controle van de waardering door de fiscus “als er bijvoorbeeld aanwijzingen zijn dat de waardering niet marktconform is” (DOC 56 1244/001, p.52).

Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de wet geen specifieke bepaling bevat in geval van een latere waardering. Het kader van de vier waarderingsmethoden op 31 december 2025 is uitsluitend op die datum van toepassing en niet op latere waarderingen. In geval van een latere waardering (bijvoorbeeld in geval van immigratie naar België of emigratie), zal de belastingplichtige dus niet beperkt zijn tot de vier voormelde methoden en zal hij gebruik kunnen maken van alle bewijsmiddelen (behalve de eed) om de aanschaffingswaarde vast te stellen, zoals bevestigd door de minister van Financiën (DOC 56 1244/007, p. 44‑45). De belastingplichtige beschikt in dat geval dus over aanzienlijk ruimere middelen in vergelijking met de situatie van de belastingplichtige die zijn financiële activa waardeert op 31/12/2025.

Gerelateerd

Nieuwe waarderingsopdrachten bij de meerwaardebelasting

Inge Vanbeveren, secretaris-generaal IBR 

Advies 2026/03: Waarderingsopdracht in het kader van de meerwaardebelasting (nieuw artikel 102 WIB 1992)

Aandelen en hun waarde in het WVV: hou het simpel

Marieke Wyckaert, hoogleraar KU Leuven