22 juni 2026
De wet van 6 april 2026 heeft met ingang van 1 januari 2026 een belasting op meerwaarden op financiële activa ingevoerd. In het kader van de vrijstelling van ‘historische meerwaarden’ heeft de wetgever een belangrijke opdracht toevertrouwd aan de bedrijfsrevisoren en de gecertificeerd accountants. Het betreft de waarderingsopdracht bedoeld in het nieuwe artikel 102, § 4, derde lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.
Over deze nieuwe waarderingsopdracht werd reeds eerder uitvoerig toelichting gegeven in het IBR-advies 2026/3 [1].
Deze mededeling heeft tot doel de bedrijfsrevisoren te informeren over de impact van de nieuwe wetgeving op hun aansprakelijkheid en archiveringsplicht.
1. Toepasselijk aansprakelijkheidsstelsel
De voormelde wet van 6 april 2026 voorziet niet in een specifiek aansprakelijkheidsstelsel voor de beroepsbeoefenaars die belast zijn met deze waarderingsopdracht. De opdracht valt derhalve onder de bestaande aansprakelijkheidsregelingen.
De Raad is van mening dat de waarderingsopdracht kan worden beschouwd als een opdracht die “door of krachtens de wet” aan de bedrijfsrevisor wordt toevertrouwd. Bijgevolg is artikel 24, § 1 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren (hierna: wet van 7 december 2016) van toepassing, wat impliceert dat de specifieke aansprakelijkheidsregeling van de bedrijfsrevisoren geldt. Dit betekent concreet:
Om onzekerheid te vermijden in het geval dat de uitgevende vennootschap een OOB is maar de opdrachtgever een natuurlijke persoon, wordt aanbevolen om in de opdrachtbrief uitdrukkelijk te vermelden dat de opdracht wordt uitgevoerd voor een niet-OOB-cliënt.
2. Verjaringstermijn van de aansprakelijkheid
Bij gebrek aan specifieke bepalingen in de wet van 6 april 2026 zijn de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen van toepassing; dit wil zeggen:
Aangezien de waarderingsopdracht van contractuele aard is, geldt in principe de termijn van 10 jaar, te rekenen vanaf de datum van het verslag. Deze opdracht vertoont evenwel de bijzonderheid dat het verslag uiterlijk op 31 december 2027 wordt opgesteld, terwijl het fiscaal effect ervan (belastbare of betwiste meerwaarde) zich pas zal concretiseren op het tijdstip van de overdracht van de activa waarop de eerdere waardering betrekking heeft, potentieel meerdere jaren of zelfs decennia later. Er kan worden betoogd dat zolang de waardering geen concreet fiscaal effect heeft teweeggebracht (belastingheffing, navordering), de schade niet zeker is. Het aanvangspunt van de verjaring (dies a quo) zou derhalve in werkelijkheid niet de datum van het verslag zijn (in 2026 of 2027), maar de dag waarop de foutieve waardering een zeker nadelig effect teweegbrengt, in het bijzonder bij de overdracht en de eventuele betwisting door de administratie.
Bovendien kan de benadeelde bij contractuele schade opteren voor een buitencontractuele vordering (5 jaar of max. 20 jaar). De termijn van 5 jaar begint pas te lopen vanaf het ogenblik waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft van de schade en van de identiteit van de aansprakelijke persoon, met name potentieel op het moment van de overdracht van de activa en de eventuele betwisting door de fiscale administratie. Deze termijn kan evenwel niet langer zijn dan 20 jaar vanaf het schadeveroorzakende feit, zijnde de opstelling van het verslag (vanaf 2026 en uiterlijk op 31 december 2027), met als gevolg dat de absolute verjaring voor de buitencontractuele vordering zich, afhankelijk van het geval, situeert vanaf 2046 en uiterlijk op 31 december 2047.
Voor bedrijfsrevisoren is elke contractuele beperking van hun aansprakelijkheid in het kader van wettelijke opdrachten verboden krachtens artikel 24, § 1, tweede lid van de wet van 7 december 2016. Dit verbod geldt naar analogie ook voor bedingen die de verjaringstermijn inkorten. Daarentegen blijft een verduidelijkende clausule wel toegestaan. De bedrijfsrevisor kan zich aldus beroepen op de contractuele bepalingen van de opdrachtbrief om zich te verweren tegen een buitencontractuele vordering, behoudens in geval van opzettelijke fout (art. 6.3, § 1, tweede lid Burgerlijk Wetboek).
3. Bewaartermijn van de dossiers
De waarderingsopdracht bestaat erin de waardering uit te voeren, en niet om een oordeel te vellen over de waardering van een derde. Het betreft dus geen revisorale opdracht waarvoor de bewaartermijn vijf jaar bedraagt [2], maar een andere professionele opdracht waarvoor de gemeenrechtelijke bewaartermijn van tien jaar geldt (art. 2276ter oud Burgerlijk Wetboek) [3]. Zo hoeft een dossier dat in 2027 werd opgesteld juridisch slechts tot 2037 te worden bewaard. Dit staat echter in contrast met de mogelijke aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor die aanzienlijk langer kan doorwerken, gelet op de hierboven vermelde verjaringstermijnen.
Het is dan ook aangewezen dat bedrijfsrevisoren hun dossiers minstens twintig jaar bewaren te rekenen vanaf het verslag (in lijn met de uiterste termijn voor de verjaring van de buitencontractuele aansprakelijkheid), en desgevallend langer wanneer de te verwachten datum van de overdracht van de activa bekend is.
[1] Ten behoeve van de bedrijfsrevisoren werd eveneens een beslissingsboom ter beschikking gesteld, als bijkomend hulpmiddel bij de beoordeling of de waarderingsopdracht al dan niet kan worden uitgevoerd: Waarderingsopdracht in het kader van de meerwaardebelasting (nieuw art. 102 WIB 1992) – Beslissingsboom voor de bedrijfsrevisoren (update)
[2] Cf. art. 17, § 4 van de wet van 7 december 2016.
[3] Deze benadering is coherent met de recente evolutie van de fiscale wetgeving: de wet van 20 november 2022 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen heeft de bewaartermijn voor boekhoudkundige en fiscale boeken en stukken verhoogd van zeven naar tien jaar.