10 maart 2026
Laurent Donnay de Casteau, advocaat gespecialiseerd in fiscaal recht, Balie van Brussel (Advisius)
We nodigen u uit om een duik te nemen in de fiscale saga van het moment, met name de belasting op meerwaarden op financiële activa, die door de regering wordt gedragen en momenteel in het parlement wordt besproken. In dit nummer wordt het onderwerp van de verwerking van de earn-out aangehaald. Andere thema’s zullen in latere artikels nog aan bod komen.
Een earn-out is een clausule in een overeenkomst tot overdracht van financiële activa die de voorwaarden vastlegt voor de betaling van een aanvullend deel van de verkoopprijs. Earn-outclausules zijn gebaseerd op voorwaarden van zeer uiteenlopende aard. Deze voorwaarden kunnen onder meer betrekking hebben op (i) een resultaat uit het verleden dat op het ogenblik van de overdracht nog niet definitief is vastgesteld (bijvoorbeeld wegens nog niet afgesloten rekeningen), (ii) een toekomstig resultaat na de overdracht (dat zich kan uitstrekken over een periode van meerdere jaren), (iii) specifieke operationele voorwaarden (verbonden aan criteria zoals bepaalde ontwikkelingen, het verkrijgen van een octrooi, de ondertekening van een strategisch contract, het veiligstellen van de continuïteit van de menselijke middelen, enz.).
Een earn-out maakt per definitie deel uit van een overdracht onder bezwarende titel van financiële activa. We bevinden ons dus binnen het toepassingsgebied van het wetsontwerp dat een belasting op meerwaarden op financiële activa invoert.
Qua timing zou het wetsontwerp van toepassing zijn op meerwaarden die worden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026.
Er rijzen verschillende vragen over de toepassing van deze maatregel op aanvullingen op de verkoopprijs die vanaf 1 januari 2026 worden betaald en voortvloeien uit een earn-outclausule. Wij bespreken hier drie belangrijke vragen in dat verband.
Zou een overdrachtsovereenkomst die vóór 1 januari 2026 werd gesloten, onderworpen kunnen zijn aan de nieuwe belasting? Hangt het antwoord af van de inhoud van de geformuleerde voorwaarden, met name wanneer de aanvullende bedragen die aan de verkoper worden betaald, afhangen van financiële resultaten die na 31/12/2025 worden gerealiseerd?
Indien dit het geval zou zijn, rijst vervolgens de vraag naar de waardering van de financiële activa op 31 december 2025, en meer specifiek wanneer het gaat om niet-beursgenoteerde financiële activa, naar de noodzaak om op die datum een waarde vast te stellen, met name aan de hand van het verslag van de bedrijfsrevisor (of de accountant) zoals bedoeld in het toekomstige artikel 102, lid 3, WIB 92.
In een voorafgaande beslissing 2023.0808 van 28/11/2023 bevestigt de Belgische fiscale administratie dat de heffingsbevoegdheid met betrekking tot een earn-out die wordt uitbetaald aan een verkoper die intussen Belgisch inwoner is geworden, niet toekomt aan België, maar aan de staat waar hij op het ogenblik van de overdracht van de aandelen zijn fiscale woonplaats had. Dit pleit ervoor om earn-outs die verband houden met een overdrachtsovereenkomst van vóór 2026 uit te sluiten van de nieuwe belasting.
Maar het Hof van Cassatie bevestigt in een arrest van 22 februari 2022 (F.20.0011.F/1) dat diverse inkomsten (de categorie waartoe de meerwaarden op financiële activa zullen behoren) belastbaar zijn in het aanslagjaar waarin deze inkomsten worden verkregen. Dit zou aanleiding kunnen geven tot vrees voor aanspraken op toepassing van de nieuwe belasting op aanvullingen op de verkoopprijs die vanaf 1 januari 2026 worden uitbetaald, aangezien de inkomsten belastbaar zijn op het moment waarop zij worden verkregen, na de inwerkingtreding van de nieuwe belasting.
Bijgevolg lijkt er op het eerste gezicht geen duidelijk antwoord te bestaan in deze materie.
Niettemin werd deze vraag tijdens de parlementaire werkzaamheden voorgelegd aan de minister van Financiën. Het antwoord dat hij formuleerde, laat geen enkele twijfel bestaan: “earn-outregelingen die betrekking hebben op overdrachten onder bezwarende titel vóór 1 januari 2026, maar waarbij betalingen plaatsvinden na 2026, [vallen] niet onder de nieuwe meerwaardebelasting.” (Parl. St., Kamer, 1244/004, p. 156).
Het antwoord van de minister van Financiën is duidelijk en bevredigend voor de belastingplichtige.
In het geval van een overeenkomst die wordt gesloten vanaf 1 januari 2026, vindt de overdracht van de financiële activa plaats op een ogenblik waarop de belasting (bij veronderstelling) van kracht is.
Ook hier heeft de minister van Financiën duidelijk geantwoord: “Voor verkopen na 2026 wordt een earn-out in principe beschouwd als een realisatie onder opschortende voorwaarde. De meerwaarde wordt pas als verwezenlijkt beschouwd op het moment dat de tegenwaarde zeker en vaststaand is.” (Parl. St., Kamer, 1244/004, p. 157).
De meerwaarde die voortvloeit uit het aanvullend deel van de verkoopprijs zal dus belastbaar zijn voor zover zij de aanschaffingswaarde overschrijdt (of, in voorkomend geval, naar verwijzing naar de waarde op 31/12/2025, zoals die kan worden vastgesteld aan de hand van het revisoraal verslag voor niet‑beursgenoteerde effecten). De belasting zal ten vroegste verschuldigd zijn in het aanslagjaar waarin het aanvullend deel van de verkoopprijs zeker en vaststaand wordt.
De minister van Financiën heeft in de voorbereidende werkzaamheden eveneens verduidelijkt dat de rentevoeten en vrijstellingen van het regime voor substantiële deelnemingen ook van toepassing zullen zijn op latere betalingen krachtens earn-outclausules. Ook hier is het antwoord duidelijk. Niettemin blijft er een zone van onzekerheid bestaan. Zo blijft immers de subsidiaire vraag, die in dit stadium van de parlementaire werkzaamheden nog niet aan bod is gekomen, of het aangewezen is om de initiële prijs en het aanvullend deel van de prijs te globaliseren, al dan niet om de progressiviteit van het belastingregime voor substantiële deelnemingen te behouden. Dit met het oog op de bestrijding van een eventuele opsplitsing van de prijs, desgevallend over meerdere jaren en/of ingegeven door economische of operationele motieven die een dergelijke opsplitsing zouden kunnen verantwoorden. Deze opsplitsing zou de mogelijkheid kunnen openen om een autonome toepassing van de barema’s op te eisen voor elk aanslagjaar waarin inkomsten belastbaar worden, waarbij voor het geheel of een deel van de earn-outs telkens opnieuw vanaf nul zou worden vertrokken…