30 juli 2026

Cédric Mattart, bedrijfsrevisor

Samenvatting

Sommige groepen voeren kapitaalverhogingen door in hun dochtervennootschappen om de geldmiddelen vervolgens onmiddellijk via de rekening-courant terug te nemen. De verrichting is neutraal op geconsolideerd niveau, maar drijft het statutair eigen vermogen kunstmatig op, waardoor de daarop gebaseerde indicatoren worden vertekend: schijnbare solvabiliteit, uitkeringscapaciteit, netto-actieftest, alarmbelprocedure en informatieverstrekking aan derden.

Deze bijdrage steunt op het arrest van het Hof van Cassatie van 2 oktober 2012, dat vereist dat de geldmiddelen effectief ter beschikking worden gesteld, en toont aan hoe deze redenering wordt toegepast op intragroepskapitaalverhogingen, met daarbij een onderscheid tussen de situatie van de NV en die van de BV. Het argument van “cash pooling” wordt geneutraliseerd wanneer twee typologische indicatoren samen voorkomen: een gedocumenteerd motief van naleving van een geconsolideerde bankcovenant en het onvermogen van de centraliserende entiteit om aan een kapitaalsoproep te voldoen. De civielrechtelijke, strafrechtelijke en fiscale gevolgen worden behandeld, waarbij misbruik van vennootschapsgoederen (art. 492bis Sw.) in beeld komt. De bijdrage wordt afgesloten met de rol van de commissaris — opsporen, vermelden in zijn verslag en, in voorkomend geval, melden aan de CFI.

De vaststelling

In het kader van onze controleopdrachten werden wij geconfronteerd met een praktijk waarbij een moedervennootschap kapitaalverhogingen doorvoerde bij haar dochtervennootschappen om de aldus ingebrachte geldmiddelen onmiddellijk via de rekening‑courant terug te nemen, soms herhaaldelijk en met meerdere dochtervennootschappen binnen de groep.

Boekhoudkundige mechanismen en ondoorzichtigheid op geconsolideerd niveau

Op het niveau van de dochtervennootschappen verhoogt de verrichting het eigen vermogen, met als tegenprestatie een vordering op de moedervennootschap. Op het niveau van de moedervennootschap nemen de financiële vaste activa toe, met als tegenprestatie een schuld ten aanzien van de dochtervennootschappen. De kasmiddelen van de dochtervennootschappen fungeren slechts als doorstroom: de zogenaamd volgestorte geldmiddelen worden onmiddellijk opnieuw uitgeleend.

Op geconsolideerd niveau wordt de manipulatie geneutraliseerd — en is ze dus onzichtbaar — terwijl zij het statutair eigen vermogen van elke dochtervennootschap kunstmatig opdrijft. Nochtans zijn het precies deze statutaire jaarrekeningen die als referentie dienen voor de schijnbare solvabiliteit, de uitkeringscapaciteit, de netto-actieftest, de alarmbelprocedure en de informatieverstrekking aan derden.

De wettelijke grondslag: de effectieve terbeschikkingstelling van de geldmiddelen

Aandelen worden enkel uitgegeven als tegenprestatie voor een inbreng (art. 1:8 WVV). In een BV moeten de aandelen in principe volledig worden volgestort bij uitgifte (art. 5:8 en 5:125 WVV, voortaan aanvullend recht); in een NV moet de inbreng in geld ten belope van minstens 25% worden volgestort (art. 7:11 WVV), waarbij de geldmiddelen vooraf worden gedeponeerd op een bijzondere geblokkeerde rekening waarover de vennootschap uitsluitend kan beschikken. De vennootschap mag niet inschrijven op haar eigen aandelen, ook niet via tussenkomst van een dochtervennootschap (art. 5:124 WVV en het gelijkwaardige artikel voor de NV).

De gemeenschappelijke regel is eenvoudig: de volstorting veronderstelt een onvoorwaardelijke en daadwerkelijke overdracht, met andere woorden de terbeschikkingstelling en het onder controle brengen van de geldmiddelen van de vennootschap met het oog op de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel. Wanneer, via een vooraf uitgewerkte regeling, de bedragen onmiddellijk worden teruggenomen en vervangen door een loutere vordering op de inbrenger, ontbreekt deze voorwaarde — en blijkt die vordering in dergelijke constructies meestal illusoir te zijn.

Lessen uit de rechtspraak

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 2 oktober 2012 geoordeeld dat de geldigheid van de volledige volstorting van een inbreng in geld veronderstelt dat de geldmiddelen effectief ter beschikking en onder controle van de vennootschap worden gesteld. Dit is niet het geval wanneer een vooraf uitgewerkte regeling de onmiddellijke terugtrekking van de bedragen organiseert en hun vervanging door een vordering die oninvorderbaar blijkt te zijn. De beweerde vervanging levert dan slechts een theoretisch en geen reëel actief op, en het bankattest dat de deponering bevestigt, is zelf aangetast door intellectuele valsheid.

De hoven van beroep van Antwerpen en Luik hanteren dezelfde analyse: het schijnkarakter van de inschrijving wordt bestraft, ongeacht het eventuele latere karakter van de aan de vennootschap toegekende voorschotten.

Deze rechtspraak heeft voornamelijk betrekking op de volstorting van het aanvangskapitaal; haar redenering kan evenwel worden doorgetrokken naar latere kapitaalverhogingen en intragroepsinbrengen: doorslaggevend is niet het tijdstip van de verrichting, maar de effectieve terbeschikkingstelling van de geldmiddelen ten gunste van de vennootschap die ze ontvangt.

Naargelang de vennootschapsvorm is een nuance noodzakelijk. Voor de NV, die het begrip kapitaal en de vereiste van een bankattest behoudt, blijft de invalshoek van valsheid relevant. Voor de BV berust het verwijt veeleer op het ontbreken van een daadwerkelijke inbreng en op het fictieve karakter van de inschrijving. Het laakbare karakter veronderstelt bovendien een vooraf uitgewerkte regeling en/of een illusoire vervangende vordering: een werkelijk volgestorte inbreng, gevolgd door een afzonderlijke lening die onder marktvoorwaarden wordt toegestaan aan een solvabele moedervennootschap, valt niet onder deze kritiek.

Variant: de “cash pooling”‑constructie en de bankcovenant

Groepen rechtvaardigen vaak de terugstroom van de geldmiddelen naar de moedervennootschap door deze in te bedden in een cashpoolingverrichting. Deze kwalificatie wijzigt echter niets aan de analyse ten gronde. Cash pooling is op zich rechtmatig, maar veronderstelt dat er effectieve kasmiddelen bestaan en circuleren: het organiseert niet de creatie van liquiditeit die het geacht wordt te beheren. Een geldige overeenkomst veronderstelt bovendien een eigen vennootschapsbelang in hoofde van elke deelnemer, marktconforme voorwaarden en de effectieve mogelijkheid om de geldmiddelen uit de pool op te nemen.

Twee typologische indicatoren maken deze kwalificatie ongeldig wanneer zij samen aanwezig zijn:

  • het gedocumenteerde motief voor de terugstroom is de noodzaak om een geconsolideerde bankcovenant na te leven. Het vooraf bepaalde karakter van de verrichting is dan aangetoond, en de voorstelling aan de kredietverstrekker van geconsolideerde rekeningen die aan de covenant beantwoorden, kan zelf misleidend zijn — valsheid in geschrifte (art. 193 tot 197 Sw.) en oplichting (art. 496 Sw.);
  • de centraliserende entiteit beschikt niet over de nodige kasmiddelen om een kapitaalsoproep van de dochtervennootschappen te kunnen nakomen. Dit element toont aan, op bewijsrechtelijk vlak, dat de intragroepsvordering die aan de actiefzijde van de dochtervennootschappen is opgenomen, niet daadwerkelijk invorderbaar is — de situatie die het Hof van Cassatie kwalificeert als een “theoretisch en niet reëel actief”.

De verrichting kan dan worden gekwalificeerd als misbruik van vennootschapsgoederen (art. 492bis Sw.), waarvan het Hof van Cassatie recent de vijf constitutieve bestanddelen in herinnering heeft gebracht. De alarmbelprocedure (art. 5:153 WVV voor de BV; art. 7:228 en 7:229 WVV voor de NV) moet bovendien in concreto worden beoordeeld: indien het eigen vermogen op een niet‑inbare vordering steunt, kunnen de drempels worden bereikt en kan het bestuursorgaan zich daaraan niet onttrekken.

Vermomde uitkering, vennootschapsbelang en belangenconflict

Zelfs wanneer de vordering op het eerste gezicht invorderbaar lijkt, blijft de verrichting voor kritiek vatbaar. Het onttrekken van bedragen uit de dochtervennootschap ten voordele van de moedervennootschap die niet op gebruikelijke wijze konden worden uitgekeerd, omzeilt de regels ter bescherming van het vennootschapsvermogen — de netto-actief- en liquiditeitstests (art. 5:142 en 5:143 WVV voor de BV; art. 7:212 WVV voor de NV).

Het bestuursorgaan van de dochtervennootschap dat een dergelijke kapitaalverhoging aanvaardt, handelt moeilijk in het vennootschapsbelang van die dochtervennootschap en stelt zijn leden bloot aan de gemeenrechtelijke bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:56 WVV). Wanneer de bestuurders tevens zetelen in de moedervennootschap, brengt de beslissing een tegengesteld vermogensrechtelijk belang met zich mee (art. 5:76 WVV voor de BV; art. 7:96 WVV voor de NV), waarvoor een bijzondere procedure moet worden gevolgd, op straffe van nietigheid en verzwaarde aansprakelijkheid.

Civielrechtelijke, strafrechtelijke en fiscale gevolgen

De leden van het bestuursorgaan zijn hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de betrokkenen (art. 5:138 en 7:205 WVV) en worden van rechtswege geacht de inschrijvers te zijn, met de verplichting de effectieve volstorting te verzekeren.

Op strafrechtelijk vlak kan de constructie onder het Strafwetboek vallen (valsheid in geschrifte, oplichting, misbruik van vennootschapsgoederen) evenals onder de strafbepalingen van het WVV (art. 3:43, 5:158 en 7:232 WVV). Op boekhoudkundig vlak geven de statutaire jaarrekeningen van de dochtervennootschappen geen getrouw beeld van hun financiële toestand (art. 3:43 WVV), terwijl ook de geconsolideerde jaarrekening het risico loopt te moeten worden gecorrigeerd indien de intragroepsvordering niet invorderbaar is. Op fiscaal vlak kan de structuur aanleiding geven tot een herkwalificatie als vermomde uitkering, de mogelijke toepassing van de algemene antimisbruikbepaling en de verwerping van de aftrek van interestlasten op de rekening-courant.

De rol van de commissaris: opsporen, vermelden, melden

Verschillende zorgvuldigheidsprocedures maken de opsporing mogelijk: gelijktijdigheid tussen de volstorting en de boeking op de rekening-courant; het ontbreken van een netto kasstroom over een bepaalde periode; de aanwezigheid, op de passiefzijde van de balans van de moedervennootschap, van rekening-courantschulden die dateren van de kapitaalverhogingen; het niet-vergoede of niet-invorderbare karakter van de vordering; de reële capaciteit van de centraliserende entiteit om aan een kapitaalsoproep te voldoen; een kritische analyse van de geconsolideerde bankcovenanten rond de data van de kapitaalverhogingen.

Overeenkomstig ISA 240 beoordeelt de commissaris de verrichting op basis van haar economische substantie en niet volgens haar contractuele vormgeving. Hij kan zich dus niet beperken tot de kwalificatie als cash pooling: hij dient de effectieve invorderbaarheid van de vordering en de capaciteit van de centraliserende entiteit te toetsen.

Wanneer het mechanisme vaststaat, is de te volgen houding cumulatief. Op het vlak van het vennootschapsrecht vermeldt de commissaris de inbreuk in het tweede deel van zijn verslag en beoordeelt hij de impact ervan op zijn oordeel, zowel voor de statutaire jaarrekeningen van de dochtervennootschappen als, in voorkomend geval, voor de geconsolideerde jaarrekening. Op preventief vlak legt de wet van 18 september 2017 verplichtingen inzake waakzaamheid op en, in voorkomend geval, een melding aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI). Een constructie die de gebruikelijke typologieën vertoont — ondoorzichtigheid van de economische verantwoording, circulaire geldstromen, afwezigheid van een reële geldbeweging, gedocumenteerd motief van naleving van een covenant — is typisch meldingsplichtig.

De afweging van de commissaris betreft dan niet langer de keuze tussen tolereren en sanctioneren: zij ligt tussen vermelden en melden.

Gerelateerd

Mededeling 2024/06: Jaarlijkse bijdrage in de werkingskosten van de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI)

Nieuwe toelichting met betrekking tot de melding van informatie aan de CFI

Advies 2013/01: kapitaalverhoging door inbreng in natura in een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en uitgifte van nieuwe aandelen