15 juli 2026
Harry Everaerts, Ere-Bedrijfsrevisor
1.1. EU – De Europese Commissie neemt de herziene ESRS aan
De Europese Commissie (EC) heeft op 3 juli 2026 een gedelegeerde verordening aangenomen met een herziene versie van de Europese duurzaamheidsrapporteringsstandaarden (ESRS). De herziening (we noemen deze hier set 2) vermindert het aantal verplichte datapunten, vereenvoudigt de structuur en de materialiteitsbeoordeling, maakt een duidelijker onderscheid tussen verplichte en vrijwillige informatie en versterkt, waar mogelijk, de interoperabiliteit met internationale duurzaamheidsstandaarden. De EC heeft daarnaast gerichte wijzigingen aangebracht ten opzichte van het technische advies van de Europese Adviesgroep voor Financiële Verslaggeving (EFRAG) van december 2025, onder meer inzake materialiteit, het getrouwe beeld, aggregatie en desaggregatie, verwachte financiële effecten, broeikasgasemissies, klimaattransitieplannen, mensenrechtenincidenten en bepaalde activiteiten van vermogensbeheerders.
Set 2 is voorzien om gebruikt te worden voor de boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027. Voor boekjaren die aanvangen in 2026 voorziet de tekst in een keuzemogelijkheid, met name dat ondernemingen set 2 vervroegd kunnen toepassen of de bestaande ESRS (set 1) kunnen blijven gebruiken. Ondernemingen die voor 2026 bij de bestaande ESRS blijven, kunnen wel reeds bepaalde nieuwe veréénvoudigingen die voorzien zijn in set 2, toepassen, maar dienen duidelijk te vermelden welke versie er wordt gehanteerd. Voor ondernemingen is dit belangrijk omdat de definitieve rapporteringsarchitectuur voor 2026 en 2027 nu duidelijker wordt en keuzes over materialiteit, datacollectie, rapporteringsprocessen en systeemaanpassingen tijdig kunnen worden vastgelegd.
Voor bedrijfsrevisoren heeft de herziening een rechtstreekse impact op de planning en uitvoering van de assurance-opdrachten. De verwachting is dat vele wave 1 vennootschappen voor de rapportering over 2026 al zullen gebruik maken van de mogelijkheid om set 2 te kunnen toepassen of tenminste een aantal van de voorziene veréénvoudigingen. Een concreet voorbeeld is de top-downbenadering voor de dubbele materialiteitsbeoordeling. Een onderneming die in 2026 set 1 blijft toepassen, kan deze veréénvoudiging al gebruiken en vertrekken van het bedrijfsmodel, activiteiten en belangrijkste duurzaamheidsthema’s, zonder systematisch de materialiteit van iedere afzonderlijke impact, risico of opportuniteit te beoordelen. Omdat dit de analyse en documentatie van de dubbele materialiteit aanzienlijk kan verminderen, ligt het voor de hand dat veel wave 1-ondernemingen deze verlichting reeds voor boekjaar 2026 zullen hanteren.
De gedelegeerde verordening wordt nu voorgelegd aan het Europees Parlement en de Europese Raad voor een controleperiode van twee maanden, die met nog eens twee maanden kan worden verlengd. Indien geen bezwaar wordt gemaakt, kan de verordening vervolgens in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.
Bronnen:
Europese Commissie – Commission Delegated Regulation C(2026) 5010 final, 3 juli 2026
1.2. EU – De Europese Commissie neemt de vrijwillige duurzaamheidsrapporteringsstandaard en het waardeketenplafond aan
Op 3 juli 2026 heeft de Europese Commissie tevens een gedelegeerde verordening aangenomen met betrekking tot een vrijwillige duurzaamheidsrapporteringsstandaard voor ondernemingen die niet meer dan 1.000 werknemers tewerkstellen. De standaard is gebaseerd op de vrijwillige rapporteringstandaard voor kleine en middelgrote ondernemingen (VSME) zoals uitgebracht in december 2024 door EFRAG, maar werd op een beperkt aantal punten aangepast aan de herziene ESRS (set 2) en vraagt ook minder te rapporteren datapunten. De vrijwillige standaard van de EC bestaat uit een Basismodule met toelichtingen B1 tot en met B11 en een Uitgebreide module met bijkomende informatie die vooral door banken, investeerders en grote zakelijke klanten kan worden gevraagd. De Basismodule is een voorwaarde om de Uitgebreide module toe te passen.
De standaard vormt tevens het plafond voor informatieverzoeken in de waardeketen (de zogenaamde “value chain cap”). Ondernemingen die verplicht onder de CSRD rapporteren, mogen voor hun duurzaamheidsrapportering in beginsel niet meer informatie vragen aan beschermde ondernemingen (dus ondernemingen die niet in scope zijn van de CSRD) dan de informatie waarin deze vrijwillige standaard voorziet. Een beschermde onderneming heeft het wettelijke recht om bijkomende informatie te weigeren. Het plafond geldt uitsluitend voor informatie die wordt verzameld ten behoeve van CSRD duurzaamheidsrapportering en laat andere wettelijke of contractuele informatieverplichtingen onverlet.
Voor kleinere ondernemingen (in principe dus ondernemingen met minder dan 1.000 werknemers gemiddeld) biedt dit een uniform kader om vragen van klanten, banken en investeerders te beantwoorden en om versnipperde vragenlijsten te beperken. Voor grote ondernemingen wordt het belangrijk hun waardeketenverzoeken af te stemmen op de nieuwe standaard en duidelijk te onderscheiden welke informatie binnen of buiten het waardeketenplafond valt. Voor bedrijfsrevisoren is dit relevant bij de beoordeling van de rapporteringsgrens, de herkomst en betrouwbaarheid van waardeketeninformatie, en om zich te positioneren als vrijwillige assurance dienstverlener of als adviseur voor ondernemingen die vrijwillig een duurzaamheidsverslag opstellen in overeenstemming met de vrijwillige rapporteringstandaard. Ook deze gedelegeerde verordening was op datum van deze ESG nieuwsupdate nog niet in werking en doorloopt eerst de controleperiode van het Europees Parlement en de Raad.
De VSME die EFRAG in december 2024 publiceerde en die de Europese Commissie in juli 2025 via een aanbeveling onderschreef, was bedoeld als een tussenoplossing in afwachting van de gedelegeerde verordening. Zodra de nieuwe gedelegeerde verordening in werking treedt, wordt die aanbeveling opgevolgd door de nieuwe vrijwillige standaard en wordt deze geacht geen rechtsgevolgen meer te hebben. De overgang blijft evenwel beperkt, omdat zoals gesteld, de nieuwe standaard op de EFRAG-VSME is gebaseerd en de wijzigingen bewust beperkt zijn gehouden. Ondernemingen die voortaan vrijwillig rapporteren, gebruiken daarom best de nieuwe standaard. De praktische richtlijnen van EFRAG kunnen daarbij verder worden gebruikt voor zover zij met de nieuwe standaard verenigbaar zijn.
Bronnen:
Europese Commissie – Commission Delegated Regulation C(2026) 5011 final, 3 juli 2026
Europese Commissie – Annex to the voluntary sustainability reporting standard, 3 juli 2026
2.1. BE – De Kamer neemt de gerichte wijziging van artikel 116 van de wet van 2 december 2024 aan
De plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft op 2 juli 2026 het wetsontwerp aangenomen tot wijziging van artikel 116 van de wet van 2 december 2024 betreffende de toelichting van duurzaamheidsinformatie en de assurance ervan. De wijziging beoogt bepaalde organisaties van openbaar belang (OOBs) uit de eerste rapporteringsgolf (wave 1) voor boekjaar 2026 vrij te stellen wanneer deze niet voldoen aan de nieuwe Omnibus I-drempels (dus OOBs die wel meer dan 500 mensen tewerkstellen maar minder dan 1.000 en die een jaarlijkse omzet hebben die minder is dan € 450 miljoen). De vrijstelling heeft geen betrekking op de duurzaamheidsrapportering over boekjaar 2025.
Voor de betrokken ondernemingen is dit belangrijk omdat het hun rapporteringsplicht voor boekjaar 2026 en de daarmee samenhangende interne projectplanning kan wijzigen. Voor bedrijfsrevisoren is de ontwikkeling belangrijk voor de evaluatie of er voor boekjaar 2026 nog een wettelijke assurance-opdracht bestaat, voor de opdrachtvoorwaarden, en voor de communicatie met de bestuursorganen en auditcomités. Op datum van deze ESG nieuwsupdate was er nog geen gepubliceerde wet in het Belgisch Staatsblad. Tot de bekrachtiging en publicatie dienen ondernemingen en bedrijfsrevisoren daarom het wetgevingsproces verder op te volgen.
Bron:
2.2. EU – De EU-verordening inzake ESG-ratingactiviteiten wordt van toepassing en ESMA start het registratieproces
De Europese verordening betreffende de transparantie en integriteit van ESG-ratingactiviteiten is vanaf 2 juli 2026 van toepassing. De Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) wordt de rechtstreekse toezichthouder op ESG-ratingaanbieders die hun diensten in de Europese Unie aanbieden. Voor ondernemingen is dit belangrijk omdat ESG-ratings vaak worden gebruikt in financieringsgesprekken, investeerderscommunicatie, leveranciersbeoordelingen en duurzaamheidscommunicatie/beweringen. De nieuwe regels beogen de transparantie van methodologieën, databronnen, belangenconflicten en governance bij ratingaanbieders te verbeteren. Voor bedrijfsrevisoren blijft het belangrijk om bedrijven bewust te maken van het onderscheid tussen een ESG-rating en onafhankelijke assurance. Een rating vormt geen controleverklaring over de onderliggende duurzaamheidsinformatie. Wanneer ondernemingen ratings opnemen in hun jaarverslag of duurzaamheidscommunicatie, dient te worden nagegaan welke aanbieder en methodologie werden gebruikt en of de voorstelling niet de indruk wekt dat de informatie onafhankelijk werd geverifieerd.
Bron:
ESMA – ESG Rating Providers: toepassing en registratie vanaf 2 juli 2026
3.1. EU – EFRAG publiceert State of Play 2026 Report over ESRS-duurzaamheidsrapportering
EFRAG heeft op 1 juli 2026 het State of Play 2026 Report gepubliceerd over de toepassing van de ESRS. Het rapport is gebaseerd op een analyse van 905 duurzaamheidsrapporten van wave 1 ondernemingen (waaronder 41 Belgische vennootschappen). Het rapport geeft daarmee een verder beeld van de manier waarop ondernemingen in jaar 2 de ESRS in de praktijk hebben toegepast.
EFRAG stelt vast dat de rapporteringspraktijken grotendeels stabiel blijven. ESRS E1 klimaatverandering (99% van de onderzochte ondernemingen heeft dit in scope), ESRS S1 eigen personeel (99%) en ESRS G1 zakelijk gedrag (95%) blijven in verschillende sectoren en landen in de meeste gevallen als materieel geïdentificeerde onderwerpen. 82% van de ondernemingen heeft de dubbele materialiteitsanalyse (DMA) geactualiseerd ten opzichte van boekjaar 2024, terwijl 67% een hybride aanpak heeft toegepast, waarbij top-down- en bottom-upmethodologieën worden gecombineerd.
Voor ondernemingen is het rapport interessant omdat het concrete inzichten biedt in marktpraktijken en in de verwachtingen rond de verdere maturiteit van ESRS-rapportering. Het kan worden gebruikt als benchmark bij de voorbereiding van de volgende rapporteringscyclus, in het bijzonder voor de verdere verfijning van de dubbele materialiteitsanalyse, de dataprocessen, de governance rond duurzaamheidsinformatie en de afstemming tussen duurzaamheidsrapportering en financiële verslaggeving. Voor bedrijfsrevisoren is het rapport nuttig omdat het aandachtspunten bevestigt die ook in assurance-opdrachten terugkomen, zoals de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van data, de traceerbaarheid van materialiteitsconclusies, de consistentie tussen verschillende onderdelen van het verslag en de mate waarin toelichtingen voldoende specifiek en controleerbaar zijn.
Bron:
EFRAG State of Play 2026 Report Now Available | EFRAG
3.2. INT – SBTi Services lanceert een gereedheidsbeoordeling voor de Corporate Net-Zero Standard Version 2.0
SBTi Services heeft op 14 juli 2026 een Readiness Assessment Service (gereedheidsbeoordeling) gelanceerd voor ondernemingen met reeds gevalideerde Science Based Targets die de overgang naar de Corporate Net-Zero Standard Versie 2.0 overwegen. De beoordeling vertrekt in beginsel van de informatie die bij de eerdere targetvalidatie werd ingediend en geeft de onderneming een gestructureerd overzicht van de mate waarin de bestaande doelstellingen, broeikasgasinventaris, methodologie en assurance-opzet aansluiten bij de nieuwe standaard.
Voor ondernemingen kan deze beoordeling tijdig lacunes identificeren in Scope 1-, Scope 2- en Scope 3-data, methodologie, governance, en externe assurance-opzet. De Corporate Net-Zero Standard Versie 2.0 wordt operationeel in 2027 en wordt vanaf 2028 het verplichte SBTi-kader voor nieuwe aanvragen tot validatie van nieuwe doelstellingen. Voor bedrijfsrevisoren is het vooral van belang te weten dat SBTi uitdrukkelijk stelt dat de gereedheidsbeoordeling geen voorafgaande validatie is, geen invloed heeft op de latere validatiebeslissing en geen succesvolle validatie garandeert. De beoordeling mag evenmin worden verward met onafhankelijke assurance over de emissie-inventaris of andere klimaatdata. Deze kan wel duidelijk maken op welke informatie en assurance-opzet ondernemingen zich verder dienen voor te bereiden.
Bron: