24 juni 2026
Overeenkomstig artikel 31 van de wet van 7 december 2016, formuleert de Raad van het Instituut de normen en aanbevelingen met betrekking tot de uitvoering van de opdrachten van de bedrijfsrevisoren.
Naar aanleiding van normatieve ontwikkelingen, heeft de Raad van het IBR het Advies 2019/12 en het Advies 2025/04, inclusief zijn bijlage, bijgewerkt. Met dit advies wenst de Raad de bedrijfsrevisoren te ondersteunen bij het bepalen welke normen van toepassing zijn op een opdracht. De bijlage bij dit advies licht de toepassingsgebieden in tabelvorm toe.
Deze tabel bevat een niet-exhaustieve lijst van de opdrachten die door of krachtens de wet, dan wel op contractuele basis kunnen worden uitgevoerd door een bedrijfsrevisor. Deze tabel zal regelmatig aangevuld worden in functie van de normatieve ontwikkelingen.
Hieronder wenst de Raad van het Instituut de aandacht te vestigen op enkele principes verbonden aan de gemeenschappelijke KMO-norm [1].
De gemeenschappelijke KMO-norm heeft een tweeledig toepassingsgebied:
De commissaris wordt niet beoogd door de gemeenschappelijke KMO-norm.
Immers, de norm (herzien in 2018) inzake de toepassing in België van de ISA’s voorziet in §2: “Naar analogie, zijn de ISA’s van toepassing op de opdrachten die door of krachtens een in België van toepassing zijnde wet- of regelgeving aan de commissaris of uitsluitend aan een bedrijfsrevisor, wordt toevertrouwd (…)”. De term “uitsluitend” slaat enkel op de bedrijfsrevisor. Derhalve vallen de opdrachten uitgevoerd in de hoedanigheid van commissaris (ongeacht of de opdracht gemeenschappelijk is of niet) onder de voormelde norm (herzien in 2018).
Ook de gemeenschappelijke KMO-norm stelt:
Bovendien omschrijft de gemeenschappelijke KMO-norm de beoogde entiteiten waarop zij van toepassing is, met name KMO’s en kleine VZW’s, IVZW’s en stichtingen, zijnde die welke “geen commissaris hebben benoemd of er wettelijk geen hadden moeten benoemen, of die de beroepsbeoefenaar verzoeken om een contractuele assuranceopdracht uit te voeren, wanneer deze opdracht niet gepaard gaat met de bekendmaking van het verslag zoals beoogd door de artikelen 3:55, 3°, 3:98, §1, 2°, en 3:99, §1, 2° WVV” (§11 van de norm). Deze artikelen hebben betrekking op het commissarisverslag in het kader van de wettelijke controle van de jaarrekening.
Het verslag dat opgesteld wordt overeenkomstig de gemeenschappelijke KMO-norm kan in geen geval neergelegd of anderszins openbaar gemaakt worden. De verspreiding van het verslag wordt beheerst door de toepasselijke wetgeving voor wat betreft de gedeelde wettelijk voorbehouden assuranceopdrachten (§ 4 van de KMO‑norm) en is, voor wat betreft de contractuele assuranceopdrachten, beperkt tot de in de opdrachtbrief duidelijk geïdentificeerde bestemmeling (§ 9 van de KMO‑norm).
Het verslag kan met andere woorden nooit samen met de jaarrekening neergelegd worden bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België [2], noch kan ernaar verwezen worden op de website van de entiteit.
De gemeenschappelijke KMO-norm is van toepassing op de daarin gedefinieerde KMO’s en kleine VZW’s, IVZW’s en stichtingen [3]. Ook bij kleine entiteiten kan de bedrijfsrevisor geconfronteerd worden met complexe elementen. In dat geval biedt de gemeenschappelijke KMO-norm geen bijkomende richtlijnen. Indien de bedrijfsrevisor, op grond van zijn professionele oordeelsvorming, meent dat de betrokken KMO of kleine VZW complex is, zal de toepassing van de ISA’s meer aangewezen zijn.
Paragraaf 10 van de gemeenschappelijke KMO‐norm staat de beroepsbeoefenaars toe om met een ander normenstelsel te werken, als dit minstens gelijkwaardige vereisten bevat als de voormelde norm. Deze paragraaf beoogt uitsluitend de contractuele opdrachten (met een redelijke mate van zekerheid of een beperkte mate van zekerheid) met betrekking tot historische financiële informatie.
Bovendien laat de gemeenschappelijke KMO‑norm zowel voor de gedeelde wettelijk voorbehouden assuranceopdrachten (§ 8 van de norm) als voor de contractuele assuranceopdrachten (§ 10 van de norm) toe dat de beroepsbeoefenaar, voor de punten die niet door deze norm worden geregeld, zijn werkzaamheden aanvult met nuttige punten van de internationale controlestandaarden (International Standards on Auditing, ISA’s) en van de internationale standaarden voor beoordelingsopdrachten (International Standards on ReviewEngagements, ISRE’s), zonder hiernaar in zijn verslag te hoeven verwijzen.
In het bijzonder kan de beroepsbeoefenaar die geen commissaris is, de methodologie uitgewerkt op basis van de ISA’s en ISRE’s toepassen in alle gevallen, zonder dat het evenwel noodzakelijk is om naar deze normen te verwijzen in het verslag. Immers, de toepassing van de ISA’s en ISRE’s houdt minstens de naleving van de onderhavige norm in, terwijl het omgekeerde evenwel niet geldt.
Ter herinnering: overeenkomstig de norm inzake de toepassing van de internationale standaarden voor kwaliteitsmanagement 1 en 2 (ISQM 1 en 2) en van ISA 220 (herzien) in België, zijn bedrijfsrevisoren verplicht een kwaliteitsmanagementsysteem te implementeren voor de revisorale opdrachten zoals gedefinieerd in artikel 3, 10°, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren. Alle assuranceopdrachten vallen onder de notie “revisorale opdracht”, zoals gedefinieerd in artikel 3, 10° van deze wet.
De opdrachten die onder de gemeenschappelijke KMO‑norm vallen en door de bedrijfsrevisor worden uitgevoerd, zijn revisorale opdrachten.
De Raad van het Instituut wenst van de gelegenheid gebruik te maken om volgende tools in herinnering te brengen:
Op datum van dit advies worden de adviezen 2019/12 en 2025/04 van het IBR opgeheven en vervangen door dit advies. Voormelde (opgeheven) adviezen blijven raadpleegbaar op de website van het Instituut onder het tabblad Regelgeving en publicaties > Rechtsleer > Archieven.
---------------------------------------
[1] Het betreft de Norm met betrekking tot de contractuele controle van KMO’s en kleine (I)VZW’s en stichtingen en de gedeelde wettelijk voorbehouden opdrachten bij KMO’s en kleine (I)VZW’s en stichtingen (ontwerp van herziene versie 2026), momenteel nog in afwachting van goedkeuring door de minister.
[2] Dit standpunt werd reeds bevestigd in de FAQ’s met betrekking tot de gemeenschappelijke KMO‑norm, die kort na de goedkeuring van deze norm door de HREB werden aangenomen en op zijn website werden gepubliceerd.: http://www.cspe-hreb.be/faq-frequently-askedquestions.php
[3] Onder “kleine” VZW’s en IVZW’s wordt verstaan: deze zoals gedefinieerd in artikel 1:28 WVV, en onder “kleine” stichtingen: deze zoals gedefinieerd in artikel 1:30 WVV.